tekst

Van tekening tot knuffelobject; kunstenares Manja van der Storm ziet grote toekomst voor haar Binkel

Manja van der Storm, beeldend kunstenares en tot november 2005 tevens galeriehoudster, was vroeger heel verlegen. “Ik durfde mensen niet eens aan te kijken als ik met ze sprak.” Ze koos voor de kunstacademie en wilde leren schilderen. “Ik dacht dat een echte kunstenaar moest schilderen. Het mengen met kleuren bleek echter niets voor mij. Ik was veel meer geïnteresseerd in compositie en met name vorm. Zo ontstonden mijn eerste grote tekeningen. Ik had toen net het Siberisch krijt ontdekt en kon daarmee heel organisch werken. Dat gebeurde altijd in het atelier van iemand anders want het krijt vlekt echt heel snel. Hier thuis kon ik het niet gebruiken.”

Manja studeerde af met een serie tekeningen die je volgens haar landschappen zou kunnen noemen. Belangrijk daarbij is dat de vormen nog tegen een achtergrond waren gesitueerd en een soort ontmoeting met elkaar aangingen. Na de kunstacademie ging Manja zich nog meer concentreren op de perfecte vorm. De achtergrond verdween uit haar werk en langzaam maar zeker hield ze één oervorm over. Aanvankelijk was deze vorm gesloten naar de buitenkant. hoewel er volgens Manja binnen in wel veel gebeurde. “Het klinkt misschien gek maar ik kan die vorm direct op mezelf betrekken. De verlegenheid waar ik in het begin over sprak kwam voort uit een enorme geslotenheid. Toen ik ineens een opening in mijn vorm maakte naar buiten toe voelde dat ook als een daadwerkelijke opening naar de buitenwereld. Ik weet het nog heel goed. De vorm was al langer aan het gisten. Het was echter in 1999 in een klein tekeningetje dat ik de vorm voor het eerst witte uitsteeksels naar de buitenkant gaf. Het klinkt echt ongelooflijk maar nu bijna tien jaar later is diezelfde vorm voor mij nog steeds zo vertrouwd en kan ik er echt eindeloos mee variëren.”

Het Sibersich krijt heeft Manja intussen wel ingeruild voor zachte potloden, meestal zo’n 6b of 8b. “Ik zet heel snel de contourlijnen van mijn vorm op en voel dan direct of het goed zit. Als dat niet het geval is dan begin ik gewoon weer overnieuw.” Is de vorm eenmaal goed dan begint voor Manja het invullen ervan. Elk gebied wordt zorgvuldig afgetast en met fijne lijntjes gearceerd. “Een enkele keer moet ik de contourlijn ter plekke nog wat bijwerken. Hier is dat bijvoorbeeld goed te zien.” Manja staat op en loopt naar een grote tekening die in haar werkruimte hangt. Op de plek die zij aanwijst is de arcering dusdanig zwaar aangezet dat er donkere strepen zichtbaar worden. De argeloze toeschouwer zou echter ook kunnen denken dat het de structuur van het papier is dat zichtbaar wordt. Zo’n tekening maken duurt echt weken! Als de vorm helemaal is gearceerd en als het ware ingevuld dan zijn de witte uitsteekseltjes  aan de beurt. Heel voorzichtig werkt Manja naar het wit toe. “Het moeilijkste is om deze kleine deeltjes niet dicht te laten lopen. Gummen is echt niet mogelijk, dat blijf je altijd zien.”

Voor Manja is de verwezenlijking van haar tekenvorm in een echte ruimtelijke vorm een hele logische stap. “Al tijdens mijn eindexamenexpositie hadden veel mensen de behoefte om m’n tekeningen aan te raken.” Het duurde echter nog zo’n tien jaar voordat de eerste ‘Binkel’ werd geboren. “Ik wilde nog een bestemming geven aan m’n oude zwarte kleren. Ik kon er domweg geen afstand van doen. Ik ben toen de vorm uit wat oude t-shirts gaan knippen en toen achter de naaimachine gekropen. Om ze op te vullen gebruikte ik fiberfill, een materiaal dat ook gebruikt wordt als vulling van kussens. Ik werk overigens nog steeds met fiberfill maar gebruik voor de buitenkant nu fleecestof. Toen de vorm klaar was klopte deze niet met de vorm die ik voor ogen had. Op een of andere manier inspireerde me dat enorm. Ik kon de uiteindelijke vorm niet volledig voorspellen. ‘Binkel’ had toen al een eigen wil.” Inmiddels is er een hele familie ontstaan die Manja ook regelmatig exposeert. Dat doet ze vaak in de vorm van een installatie. “Ik ga uit van mijn Binkels en kijk hoe ze in de ruimte passen. Tijdens een openatelierroute in Amsterdam had ik bijvoorbeeld in een heel oud pakhuis alle Binkels rond een buizenstelsel voor de waterleiding gegroepeerd. Eentje leek zelfs uit de kraan te kruipen.” Elk hadden ze overigens oorspronkelijk hun eigen naam en één daarvan was ‘Binkel’. Dat is uiteindelijk de ‘merknaam’ geworden. Het knuffelobject zoals Manja haar Binkel noemt was in al zijn verschijningen te koop via de internetsite van haar oude galerie, www.mooiedingen.nu. Van een piepklein kleivormpje tot een gigantische zitzak. Binkel had ook een eigen website www.ikbenbinkel.nl waarop alle trotse bezitters hun Binkel konden laten zien. Manja voorziet een grote toekomst voor haar Binkels. “Ik zie mezelf al lopen langs de cadeauwinkels. Achter me aan een karretje vol Binkels. Als een echte vertegenwoordiger, ja.”

door: Hans Westerdijk – Kunstkrant mei 2008


Bij het werk van Manja van der Storm

Daar ligt het,
Op de aarde
Zwart,
Zwijgend,
In zich zelf.
Onbenoemd
Ligt het daar,
Het ding.
En dan:
Vanuit de binnenste duisternis
Het groeien
Geluidloos,
Het onverzettelijk groeien.
De tand
Hard,
Onverbiddelijk,

Stoot uit het zwart
Naar buiten
En dan nog een
En nog een
En nog een…
Stilte
En dan nog een.
Een nakomer.
Even is er een siddering
Dan ligt het stil
Het ding
Ligt stil en wacht…

Pas op
Argeloze toeschouwer,
Waar gij uw voeten plaatst

Mei 2005, Ton Meijer, www.decatalanen.nl


De tekeningen van Manja van der Storm

Opnieuw beginnen op een leeg vel papier

“Steeds als ik voor een leeg vel papier zit, of sta, begint een nieuwe zoektocht. De zoektocht naar die ene vorm , de mooiste vorm die ik ooit gezien heb. Het duurt een tijd voordat ik mijn potlood echt op het papier durf te laten gaan, maar dan werk ik ook snel; de eerste contouren komen er in één keer op te staan. Ik weet ook altijd wel ongeveer van te voren hoe het eruit komt te zien. Het is alsof de vormen zich aandienen. Als het af is, voelt het dan ook heel vertrouwd. Ik weet wanneer het goed is. Soms ben ik niet helemaal tevreden. Dan is een tandje niet helemaal goed gelukt of is de vorm niet helemaal naar m’n zin. Maar dan begin ik gewoon opnieuw. Weer op zoek naar de perfecte vorm. Ik hoop dat ik ‘m nooit vind.

Op de kunstacademie ben ik begonnen met schilderen. Maar wat ik wilde, kon niet met een kwast. En kleuren … al die energie die opging aan het denken over kleuren, aan het mengen van kleuren. Kleur leidt alleen maar af en is niet zo belangrijk voor me. Nu teken ik vooral met potlood. Ik heb geleidelijk aan een eigen vormentaal ontwikkeld. Mijn tekeningen zijn geen letterlijke zelfportretten, maar gaan wel over mezelf, heb ik ontdekt. De vormen zijn heel herkenbaar, ze lijken op elkaar, horen duidelijk tot dezelfde familie, maar zijn toch allemaal net even anders. Ze ogen een beetje organisch, als nieuwe wezens. Ik heb ze zelf nog nooit ergens gezien, behalve in m’n hoofd. Door ze te tekenen geef ik ze leven.”

interview: Elke Beekman / Bureau Binnenwerk, oktober 2006


Over het eigen werk

Sinds 1992 maak ik voornamelijk tekeningen. Wat al deze tekeningen in eerste instantie met elkaar bindt, is het materiaal waarmee ze zijn gemaakt: Siberisch krijt. Een krijtsoort met een diepzwart, fluweelachtig karakter. De vormen die ik teken, krijgen door het gebruik van dit materiaal een haast tastbare, stoffelijke aanwezigheid. De beperking tot zwart-wit biedt mij de mogelijkheid om vooral vorm- en compositiegericht te werken. De plaatsing van de vormen op het vlak en ten opzichte van elkaar is bepalend voor het slagen van een tekening. Gebruik makend van herhaling, stapeling, rangschikking van soortgelijke vormen, zoek ik in iedere tekening naar het juiste, gevoelsmatige evenwicht. Het formaat wordt telkens bij aanvang van het tekenen bepaald. Waren de tekeningen aanvankelijk allen zeer groot -en was het tekenen soms letterlijk een strijd tegen het papier- later bleek dat juist ook zeer kleine formaten een krachtig, geconcentreerd beeld kunnen opleveren. Terugkerend thema in iedere tekening was lange tijd ‘de ontmoeting’. Zoals menselijke wegen elkaar dagelijks talloze keren snijden, kleine momenten samen delen, vervolgens weer hun eigen richting volgen; ontmoeten de zwarte vormen die ik teken elkaar op het witte papier. Bevroren op het moment van de ontmoeting,
blijven ze in de vorm van een tekening als beeld voortbestaan, waar anders slechts de herinnering aan dit moment zou resten. Door de vele ontmoetingen die iedere dag plaatsvinden, is er telkens weer een aanleiding om opnieuw te beginnen- slechts met behulp van een stukje krijt- aarzelend, aftastend, dralend; totdat de eerste lijn of vlek op het papier is gezet en er uiteindelijk een nieuwe tekening ontstaat. De vormentaal die uitdrukking geeft aan deze ‘ontmoetingen’ roept associaties op met organische vormen (botten; tanden; keien, geslepen en getekend door de jaren en de tand des tijds) maar is nooit een letterlijke weergave van de ‘werkelijkheid’. Er is eerder sprake van een gedachte, associatieve ‘werkelijkheid’. Recentelijk is in mijn werkwijze deze thematiek steeds meer op de achtergrond geraakt. Ze is in gedachten nog wel aanwezig, maar vormt niet langer de letterlijke aanleiding voor en bindende factor tussen mijn werken. Eerder genoemde vorm- en compositiegerichtheid zijn nu onderwerp op zich geworden. Dit onderzoek komt ook tot uiting in het gebruik van ander materiaal naast Siberisch krijt en potlood en het loslaten van de beperking in kleurgebruik. Naast incidentele uitstapjes in ‘ruimtelijke richting’ in de vorm van installaties, wandtekeningen en -schilderingen, is recent een serie kleine schilderijen in acrylverf ontstaan, waarin spaarzaam kleur is toegelaten. De platheid van dit materiaal staat vrijwel haaks op de zachte aaibaarheid van het Siberisch krijt. Hoewel de vormentaal op zich herkenbaar blijft, ontstaat er door de toepassing van andere materialen gaandeweg meer differentiatie en verdieping.

paden
die rechtdoor voortgaand
dan eens afbuigend
anderen kruisen
kleine momenten samen delen
dan weer alleen
zich verder bewegen
iedere ontmoeting
koesterend
als oneindige herinnering

Zoals menselijke wegen elkaar dagelijks talloze keren snijden (vrijwillig of juist zeer gewenst), vervolgens weer hun eigen richting kiezen, ontmoeten de zwarte vormen -die ik teken- elkaar op het witte papier. Ze blijven als (na)beeld voortbestaan, bevroren op het moment van de ontmoeting, waar anders slechts een herinnering zou overblijven.

Voortdurend kom ik in aanraking met nieuwe situaties, ontmoet ik mensen, ruik, zie, hoor en voel ik dingen. Deze overvloed aan indrukken wil ik  in mijn werk reduceren tot de essentie van ‘de ontmoeting’ en deze zichtbaar maken en bewaren. Zowel in mijn dagelijks leven als in mijn tekeningen gaat het om het plaats bepalen ten opzichte van elkaar en de omgeving; benaderen en toch op veilige afstand blijven; aantrekken en afstoten; aanraken, maar toch altijd in zichzelf besloten blijven; het evenwicht zoeken en bewaren.
Waar ik naar streef zijn heldere, sobere beelden, als tegenwicht voor een felgekleurde, luidruchtige omgeving. Het beperken tot zwartwit brengt mij rust en stilte.

Het zoeken naar evenwicht begint met iedere volgende tekening opnieuw.
De plaatsing van de vormen op het vlak en ten opzichte van elkaar, is bepalend voor het totaalbeeld en het welslagen van de tekening. Als een vorm niet precies op het vlak staat kan de tekening als geheel mislukt zijn.
De vormen zelf ontstaan tijdens het tekenen. Ze doen denken aan stenen, ovalen, eieren of zwarte gaten en lijken in eerste instantie sterk op elkaar, maar vertonen bij nader inzien toch minieme verschillen.

(een van de eerste teksten over mijn eigen werk)